98
Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.
Pal in den zinkenden zonnedamp, lager verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen öp, uit al meer verdonkerd boomlommer. D&ar, onder 't verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d'r tronies in geheimfijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond om-zeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in 't roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen. —
Van alle kanten in de avondzon, duwden ze öp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al méér groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen daar, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, eiken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hun gloeihanden zich opstapelen kwam. —
Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken öp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev'rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als 'n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrek