94
3es bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond 'n troepje, bij 'n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren en polzen, d'r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.
Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als 't kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen ; ging rond, 'n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krij-schend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zij wegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma's van verhongerde kreupel-getrok-ken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, óver heet werkersrumoer heen, met 'n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d'r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d'r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.
Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van 't donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blaffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig ge-kef, van gekerm, gejank ; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schreiblaffende koppen verkrampten tegen de assen öp. En al meer karren ratelden ään, met span van drie en vier beesten vóór en onder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.
Plots braakten twee hoekkroegen 'n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken ver zwollen koppen,