95
roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels öp.
— Fersche poöne.... mooie poöne ? faine skarre !.. .. fer-sche skarre!
Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:
— Oooaaw.... waa't 'n ska-ande !..
Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen. — Van rechts golfde 'n nieuwe zwoegstroom aan, die den lolkring terugdrong weer, in de smoo-kige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.
Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren ; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen 't menschgekrioel in. —
Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat 't landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst. —
Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, 't sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed 't kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,