191
toevertrouwd : dat zij heel veel genoot bij 't bezien van die heerlijke antikiteiten, kunstvoorwerpen, porcelein, en dat zij ook graag haar eigen kennis en doorzicht wilde op den proef stellen, om later voor Maurice gemakkelijk geld te kunnen verdienen. —
Na Flora's hartstochtelijke omhelzing zag ze eerst, hoe koel en stug Maurice op z'n stoel bleef zitten wachten. —
Ze schrok er van. Ze had wel een heel langen brief pas van hem ontvangen, waarin hij veel grooter zelfbedwang van haar eischte, niet alleen voor Louise, maar ook voor Soonbeek, de kinderen, voor haar eigen innerlijke rust en niet 't minst voor zijn werk. Hij had haar in dien brief geschreven, dat ie in zijn werk pas de rust en goddelijke voldoening vond, noodig voor z'n ziel, dat z'n leven heelemaal de kunst gewijd was. Als ze hem dus werkelijk innig liefhad, moest ze haar vervoeringen en wilde uitbarstingen beheerschen en hem aan z'n werk overlaten. Dat wou ze nu ook wel, maar bij de eerste ontmoeting na dien brief duizelde ze weer van geluk dat ze 'm zag, was ze weer alles vergeten van zelfbedwang en be-heersching. Nu striemde z'n koelheid haar weer neer. Plotseling werd ze heel bleek, viel ze slapjes achterover op de chaiselongue, waar ze naast gestaan had. Maurice schrok hevig, 't Was weer een duizeling en tegelijk 'n flauwte. Haar fijn gezicht bleekte krijtwit. Als in doodsluimer bleef ze roerloos liggen. —
Hij wist niet wat te doen, voelde zich wanhopend, ellendig en verlegen. Dadelijk barstte zelfverwijt in hem los, weende 't in 'm, dat hij met z'n dwaze koelheid haar weer hevig geschokt had. —
Na vijf minuten doodslaap trilden haar wimpers open. Toen, aarzelend, keek ze 'm zoo smartelijk-hulpeloos en bang aan, dat ie 'r wel met kussen had willen overstormen, haar zacht zeggen, dat ie toch wel veel van haar hield. Maar.... maar.... als de onrust maar niet zoo in 'm joeg ! Eerst flitste in hem de gedachte, dat 't behaagzieke nufferij, wel 'n berekende scène kon zijn om 'm te verteederen, te doen schrikken en week