145
voor iets onverschillig zijn. Het feit, dat Louise, z'n ranke mooie vrouw, hem daar nu, in die lichte werkkamer, kwam bezoeken, gaf hem dol-veel geluk. Als ze kuchte, schrok ie öp. Daarna deed ie haar weer allerlei vraagjes, innig, waarvan ie vooruit wist wat er volgen zou. En telkens vroeg ie wéér, alsof ie maanden op reis geweest was. Kinderlijk blij liet hij haar alles zien, z'n stoel, z'n tafel, z'n prachtig antiek, om hem heen uitgestald, en vooral dat goddelijke Italiaansch-primitief nonnetje, in ivoor gebeiteld, met dat van smart-verhevenheid verontstoffelijkte gezichtje. Daarop kon ie kijken, kijken zonder eind. De vrome stacie van haar nonnenmantel, en de fijne plooidrapeering was van een ranken lijngroei, die als een zachte, middeleeuwsche kerkzang iets in hem ainzong. Dat van vrome kastijding en smart doorsidderde nonnengelaat leek in 't bleekgeel ivoor, stil te schreien, zooals ie Louise wel dikwijls had zien doen. En zoo kon ook Louise haar blik neerslaan met een droeve verberging van al haar innigste melancholie, achter de stille kijkluikjes van haar oogen.
Flora zag in alles z'n geluk, nu Louise er was. Ze zag de ontroering op z'n gezicht, ze hoorde den wilden vreugdeklank van zijn stem. Ze had al lang gemerkt, hoe zacht, ingehouden-hartstochtelij k hij haar kuste. Toch leed ze er niet onder. Louise had recht op hem. Hun leven was door hun eerste liefde-verrukking saamgegroeid. Als hij haar maar bleef geven zijn vriendschap, die echt was als z'n liefde en innigheid, als al zijne uitingen van geestelijk leven. Als hij haar maar nooit belette, hèm lief te hebben. Was Louise wég, dan bleef toch den ganschen dag een hitte-schittering van vreugde in z'n oogen, die hij nooit zoo had als zij er niet geweest was. Maar de laatste weken leefde er in Maurice hevige onrust. De onstuimige hartstocht waarmee Flora zich soms ineens gaf, waarmee ze 'm omhelsde, deed 'm duizelen van ontzetting. Hij voelde wel, dat 't van haar kant geen zinne-schroeiing was, maar hém bracht 't soms in branderige opwinding, in teisterende verhitting. Ze stond, zat en lag zoo mooi vóór hem, iederen dag. Haar kapsel vlamde goud, haar oogen vuurden
II 10