270
zacht vermymeren de toetsen weer zijn leed weg.
!Nu snikt alleen de in eenzaamheid verdroefde en achtergelaten minnaar.
Dat heeft ook George Sand móeten meevoelen. Ze begoochelde dezen sensitieve met haar dronken hartstochts-oogen. 1) Dit vrouwelijke roofdier had pas dichterbloed geproefd. — Alfred De Musset was te ״ziekelijk." Zijn alkoholistische waanzin-vlagen beangstigden de zalvende romancière. Zijn bloed leek te schraal. Musset had de absinthische über-mensch-neu-rose in zich. Maar zij had adder-gif op de tong, dat brandde als helsch vocht. Musset was de zingende cynicus, die zijn liefde onder den zwoelen geur van een heliotroop in doods-slaap brengt, en dan 'n ode van rouw uit-jjlt. George Sand kende de lugubriteit van zijn übermenschelijke natuur, wilde niet levend-begraven zijn. Dan liever zich vastgeklampt aan den zoeten Chopin, den geheimzinnigen zanger van timiditeit en stil leed. Dat was het reptilische in deze opgeblazen romantische man-vrouw.
Wat wist Chopin psychologisch van 't vrouw-innerlijk, al betooverde hij gansche zwermen „schoonen?" Hij vreesde mevrouw Sand. Hij voelde in haar vooruit al zijn tragischen ondergang. Hij, de geschokte, in liefde geteisterde, neurasthenisch-teedre natuur, hij wou haar vermijden. In zijn nerveuse opgewondenheid
1 ) De studie van O. Gourmont over dit paar heeft wel eenige beteekenis, maar zoo goed als hij Sand ziet, zoo onvolkomen ziet hij Chopin, anders had hij nooit dit kunnen schrij ven: Chopin, malgré son genie, n'etait encore qu'un pauvre pianiste; il fut aspiré comme un fétee par le fluide sexuel. Een leugen en een grof ziels-verklaren van wils-zwakte! En welk een beeldspraak! Ik althans heb nooit van sexueele stroohalmen gehoord!