268
zegening van zachte gebeds-klanken? Over heel dit versje zweeft 'n zangerigheid die niet te vatten, aan te wijzen is. 't Leeft in de klank-schoonheid van z'n vocalen, maar ook in den rhythmischen eenvoud, 't Leeft in de voorstelling eener zóó intieme zuiverheid, maar ook in de vergelijking en in de streeling der wondre woordjes die de ziel beroeren, vol van geheimen om alles en om niets.
Zoo vol mysterieuse bekoring kan óók de muziek van Chopin zijn, als de woeste, nerveuse en visioe-naire vervoering hem stil heeft gemaakt en de na-mijm'ring uit-neuriet! De zangrige cadansen, de wieglende melodie, hij beheerscht er iedere zielsstemming mee.
Vragen wij nu nog of hij de vertroetelde lieveling der vrouwen was, of hij een prinses Radziwill behaagde of niet behaagde, of hij al die ornamentieke soirée-schoonheden vóór of tegen zich had?
Wie kon mijmeren op de toetsen als hij ? Wie zóó met verrukking de luisteraars slaan, wie zoo stoeien en dartelen en humoriseeren met het leven?
Zijn spel is als het schittergoud van den zonnigen, en tegelijk als de grijzige mistigheid van den somb'ren herfst.
VI.
In den vreeselijken tragischen tijd van zijn wonen in Majorca heeft hij zijn verrukkelijke Préludes geschreven, zijn grootste smart op de wereld overgedragen.
Toen leed de ménsch-kunstenaar in hem het bloedendst. Tweemaal in liefde getrapt, miskend, hij, de aanminnige, de zachte en teedre droomerl Die vertrappings-wanhoop angst door zijn werk, schreit