267
leven en passiën het bloedspoor van het menscheljjk lijden zocht.
Maar Chopin is een geheimzinnige ziel!
Later kwam de openbaring. De bekoring van zijn Préludes is suggestief en in een visioenaire sfeer lokkend als de Shelleysche poëzie. De angst-verhuiverende tragiek van zijn Préludes is bijna mediumiek. Door zijn Préludes weemoedt een stil gekreun en 'n heimvol geklaag als 't geween van dolenden wind in herfstavond-bosch.
Er is een tasten, een zoeken naar raadselen, naar geheimen van 't leven en de ziel, dan weer een fluistering van liefde, zoo smachtend, zoo zalig door-huiverd, als de zingende, trillende roepstem van verlangende avondvogels in lente-boomen.
Zijn kunst, in haar schoonste vergeestelijking, is van een diepe oatroerings-echtheid, gelijk men voelt in de mijmering van Heine's lied:
Du bist wie eine Blume So hold und schön und rein; Ich schau dich an, und Wehmut Schleicht mir ins Herz hinein.
Mir ist, alsob ich die Hände Aufs Haupt dier legen sollt, Betend, dasz Gott dich erhalte So rein und schön und hold.
Is dat schoone, dat stille eenvoudszangetje, van den dichter met de faunige levens-ironie? Is dat Heine, de spottende hater en beschimper? Waar in dit vers leeft toch aanwijsbaar de betoovering? Is het versgeluid niet zangerig en diep als de lieve