266
streeleiid-sensueele klankengespeel, dat femelend ge-gemelodiëer naast de reine wereld van Bach, Händel en Beethoven? Een tijd ook, waarin Schumann's sluimer- en avondlied weeë, sentimenteele tafelmuziek leek; wél van 'n lichtelijk-bekorende, en vreemde ontroeringen aanschrjjnende intimiteit, maar toch zwoeltjes-troebel, de alleen-zinnelijke verklanking van luchtige levens-flirt, heelemaal zich bewegend in de sfeer der lagere ontroering.
Toch stelde ik hem boven veel der romantici. Er ging een klank-suggestie van hem uit die altijd aan het droomen bracht, 't Bleef echter een schertsende vrijage van den geest met de emotie. Er was smart zonder diepte, tragiek zonder algemeen-menschelijke onderstrooming. Zijn muziek had iets als de weeke geur van een zwaar uit-ademende lelie in een bedompte, warm-gestookte avondkamer. Zijn narcotische melodie bracht meer verzwakkende melancholie dan weemoed, meer verdrietigheid dan smart. Zijn zielsmuziek stemde onrustig, bracht opjaging, wilde nervositeit, geen weemoedig nagepeins. Zijn kunst versubjectiveerde het leven zoo hevig dat er geen grond meer onder je voeten bleef. Dat was nu de incarnatie van lyrisch individualisme, uitputtend, voos, en, in grillige maat-losbandigheid, van een bedroevende ik-zuchtige zelf-vertroetelende klagelijkheid.
Zijn kunst, broos, stond gansch en al buiten de aandoeningen van het groote leven.
Beethoven zong óók de smart van zijn ziel, maar in zóó opperst-menschelijken vorm en met zoo alge-meenen hartstocht, dat hij teruggaf wat er weende en schaterde, zong en idealiseerde in het groote bestaan der menschheid.
Hier bleef ik staan voor een hallucinanten aristocraat, een decadent, die tusschen den ondergang van eigen