264
Bach, dat is de dondergod bij wijlen, die de klank-jubelingen door het oneindige ruim laat dreunen, en met zijn achtstemmige zang-koralen een soort gericht houdt over de levenden. — Hij overstemt het wereld-gedruisch, en de gigantische schepper alléén hoort de menschheid. Daartegenover staat Ghopin als een stille, eenzame, schuwe dichterziel, soms een zieke decadent, met exotische verhittingen van gevoel als bij 'n opium-schuiver of hasjisch-dronkaard.
Maar als hij daar gaat zitten voor zijn vleugel en hij zelf speelt z'n ziel uit, z'n eigen werk, dan verstomt alles. Dan breekt de dwepende schuchterling los en gansch zijn bedeesdheid verdwijnt. Dan vertelt hij van de melancholieke zwervingen en omdolingen zijner ziel. Maar zoo goddelijk vertelt hij! Geen roman kan boeiender verhaalgang hebben. Zijn instrument streelt en liefkoost hij. Al zijn aanbidding gaat er heen. Z'n aanslag, befluweeld van teedre, zachte, rhythmische ingehoudenheid doet de piano zingen! Dat is geen spel meer, dat is louter ziel en uiting van opperst leven. — Terwijl hij speelt kent hij de wereld van zinnen niet. Bij Ghopin geen aanstellerig wegzijn in schijn-extatische gebreken-oogen-naar-den-hemel-slaande, dithyrambische verrukking. Bij Ghopin is ontroering doorstroomd van een onbewustheid die zelf tragiek wordt. Ghopin was zijn spel heelemaal! Ghopin's adem brak als zijn spel stomde! Nooit heeft er grooter poëet voor een piano gezeten dan hij. Zijn piano, zijn kunst, en hij-zelf als uitvoerder: 't is één leven. Als hij fantaseert blijft zijn verhaalstem niet minder wonderlijk dan wanneer hü composities speelt. Als drukte hij telkens een zegening op de toetsen, zoo gewijd zweven z'n vingers over het instrument. Hij kan spelen als met 'n streel van 'n poesenpootje zoo zacht. En dan, het geheim van zijn voordracht,