263
Shelley's lyriek, vergeestelijkt zich al meer en meer in het object van de schoonheids-ontroering.
V.
Chopin is een vreemde dweper geweest, maar van een verrukkelijke intimiteit zooals heel weinigen. Chopin miste de romantieke bravoure en de Novalis-en Hofmann-achtige geheimzinnigheid van Schumann's fantasmagorische, wilde genialiteit. Maar zijn muziek is even meeslepend. Chopin's emfase in de lyrische uitstorting is van een tintmooi, als van 'n Whistlersche pastel. — Zijn meest woeste gevoels-hartstocht is altijd nog in een peins-sfeer omneveld. Toch houdt hij, de salon-ziel, diep in zich geborgen machten van toorn, haat, afschuw, angst, droefnis en weedom als slechts weinigen, of niemand in hem vermoedde. Niet de luidruchtige geniale virtuositeit van den Hongaar-schen geweldenaar Liszt, gaat van hem uit. — Liszt is de groote piano-rhetor, de klavier-beheerscher met den opgeschroefden en onnatuurlijken hartstocht van een romeinschen wagenmenner. Liszt wilde over-heerschen door de geweldenarijen van zijn ontzaglijke spel-virtuositeiten. Chopin bekoorde, gaf niets dan ziel, ziel en sentiment en daarin heel subtiel opgelost de schitterende techniek-fijnheden van zijn meesterschap en voordracht. Liszt deklameert, Chopin schept droomfiguren! Liszt rukt je uit, Chopin goochelt je in een droom-wereld. De Hongaarsche muziek-woede en 't genialeoverbluffende van Liszt verdiept zich bij Chopin in de teedre stemmings-innigheid van zijn zacht-pastellig spel. En al wat in Liszt met Q-ermaan-sche diepzinnigheid uitzingt en asceteert, wordt in Chopin door half-romantische en half-slavische rasinvloeden tot een weemoeds-tragiek en een teederheid, weergaloos in de gansche muziek-literatuur.