261
Poolsche melancholie. Hoort men zijn klanken niet meer, dan zoekt men de ziel die zoo wonderlijk-vreemd, zoo heimvol klagen en smeeken kon aan zijn klavier. Zoo werkt en wreekt zich zijn weemoedigheid op zijn stilste en ontdaanste luisteraars. ')
Hij vangt de levens-kleuren, nog trillend onder brandende zon, niet op. Hij versluiert, verteedert, vervaagt het licht en de tinten tot een schemertoon, een stemmings-schijnsel. Hij lokt je uit het leven der daverende geruchten en breed-klinkende rumoeren, naar de halfduistere stemmings-stilte van zijn visioenair klavierspel. Hij lokt, lokt, als een slanke satyr de nimf, de horens bedekt, de bokspooten verscholen.
Er leeft iets van 'n eenzamen zangvogel in zijn harmonieën-grilligheid.
O! niet veel vermoeden hoe hevig deze man geleden heeft, door zelf-vernielende angsten en een wilden, bijna krankzinnigen hartstocht, die altijd in de somberste schaduw van het peinzend leven verkoeling zocht.
Er is een zoo diabolieke oorspronkelijkheid in de gloed-schijningen van zijn melodie, in de capricieuse stormen van zijn chromatische moduleering. Soms rhetorisch en zoetig van klank en rhythmus, dan plots vreemd en woest en zacht-bacchantisch, vervloeiend in een ijl toongemijmer en zacht kristal klank-gedrup-pel, zooals water afspoelt van marmeren bekken. En bjjna altijd is in hem een angstige, in zijn weeklagende natuur diep-verborgen binnenbrand van vereen') Lees wat N ietzsche o. m. zegt van Chopin's Barcarole: Fast alle Zustände und Lebensweisen haben einen seligen moment. Den wissen die guten Kunstler herauszufischen.... En dan: Diesen seligen moment hat Chopin, in den Barcarole, so zum Ertönen gebracht, dass sebst Götter dabei gelüsten könnte, lange somerabende in einem kahne zu ziegen. (Menschlieches II.)