260
een temperament van hartstochtelijke razernij, maar beheerscht door de grillige fijnheid van zijn zenuwen.
Een fantastische geest met aanleg voor ziekelijke, alles ver-angstigende hallucinaties, maar ieder dezer groot en diep en echt. Zelfs de fijne, modulatieve affectatie van zijn études ademen die echtheid. Al deze werkingen van geest, fantasie, liefde-smachting, temperament en verziekeljjkte imaginatie plots in een uur van dreigende ontroering bijéén gestuwd en diezélfde Chopin wordt van een geweldig dramatische kracht en diabolische verrukking. Hij is nooit sagedichter. In hem spookt geen verbeeldings-leven dat met magische wonderen goochelt, geen blokken werpt op de blauwe vuren van romantische mystiek.
Zijn pessimisme is van een sombre teederheid, en de luister van zijn schitter-schoon spel neemt dadelijk byzantijnsche vormen aan, raakt nooit ver-zwaard en verplomt in de filosofie der plastische muziek.
Zoek bij hem geen breede gemoedelijkheid van een wees-vader! Zijn ziel gaat ter carnaval en dan flonkert zijn spot, zijn ironie in zijn spel als bij geen ander. De Florentijnsche verfijningen der renaissance voelt hij dieper dan een zijner tijdgenooten, Heine wellicht uitgezonderd. Dat is de grime en de dramatiek van zijn Foolsch sentiment dat ook half-Fransch was. Dat geeft hem een grillige wreedheid van genie, waarover dwalend en zwierig zijn gracie heen-neuriet en al de verschrikkelijkheid er van verzacht.
Toch blijft zijn demonisme een zachte, door pool-schen weemoed getemperde diaboliek van een triesten opstandige, die zich verzet tégen het leven, maar telkens weer neergedrukt wordt door zijn droomen en visioenen, alle oproerigheid in zijn ziel verstillend. Dan voelt men alleen zijn stemmings-spel dat weer bedwelmt, en tast men de droom'rige diepte van zijn