259
gastheer. Hoort den Chopin van de Préludes! Dan blijkt Chopin een van droefnis geteisterde ziel, schuwend 't licht en den dag, zoekend een levens-mysterie in den nacht, die alle échte angsten en ontroeringen, hallucinatiën en verrukkelijke spokingen van den échten, nooit simuleerenden visioenair heeft ondergaan.
Chopin is verfijnd en deze sensitieve dook bij wijle weg in streelende bewondering der beau-monde-liefjes. Dan kon hij klagelijk voor haar spelen, en zoo vol raadselen zijn spel somber doorklanken van lyrische apathie, dat zijn vrouw-vereersters zich in zijn al stijgender woestheid verontrustten.
Ik bid u, zie Chopin nooit als salon-pop die buigt en geurt en de gouden muiltjes van Asschepoester komt brengen, naïvelijk aan slapende princesjes. Hij keert de fabel niet om! Zie hem niet alleen als den timiden betooveraar der op zins-verrukking azende beau-monde. Zie hem niet als 'n dons-houpe klankzoet streelen geblankette en gemusketeerde dames-wangen. Zie geen halven coiffeur in hem die boudoir-verlokkingen te weerstaan heeft. Zie hem ook niet als 'n zoeten Jozef met mantelslippen in de hand, kuischelijk ontroerd en met pruilmondje afwerend 't gelonk der verliefde vorstinnetjes. Al wordt hij omschenen door de waaierige vlam-kaarsen der soireé-avonden, al ruikt het rondom hem naar reseda en heliotroop, al vlamt het haard-vuur achter hem é&n in geurige verhitting der feestelijkheden, — Chopin leeft heelemaal innerlijk, verscholen en schuw.
Luister lang naar hem, heel alleen, en zijn ziel zal zich ganschelijk openbaren.
Een ziel van kranke voorstellingen en nevrotische verbeeldingen, een brein van smachtend herdenken,
Studiën. 17*