258
maar is hij zelf niet in zijn nocturnen en Polonaises dé muzikale charme, dé zwierige verklanker van klankengracie, gracie die dronken maakt en betoovert en de vrouw vooral om-roest met iets van spelende maar toch goddelijke liefde! Is hij niet de charme die luchtig-dansend verglijdt dan hier, dan daar, die niets dan ziels-wuivingen aankoelt als een luchtige waaier-tócht; charme die cadanseert en wiegelend wegtrekt en weer op maat en zang terugkeert; die even lichtelijk allerlei levens-verrukkingen a&ntint, vaag, als 'n zachte geluks-duizeling en vóór je tot bewustzijn komt, je smart en weedom, angst en klagelijke ellende in zóó schoone schaduw van droom om-donkerd houdt, dat de smart en de weedom zelfs goddelijk genot worden.
Is charme dan niets? Is charme niet het heerlijke lichte gracie-kind van den dans, een geschenk van de goden aan ons allen? Is charme niet een geestelijke schoonheid ook van gebaar?
Ja, Chopin is dé muzikale charme, de gloed op een aigrette van 'n mooi-gekapte vrouw, de kinderlach van een zorgelooze courtisane, de stoutmoedige, dartele scherts van een vrije ziel, die spot met de zwaarte van uw ernst, ieder opschrikkend met knalletjes van fijne geestigheid.
En toch is Chopin nog oneindig meer dan de melodische gracie. Want heel gecompliceerd is die ziel! Als gij hem vóór u ziet staan als een buigende en flirtende hoveling uit den zonnekoning-tijd, met den cierlijken pluimhoed in de blanke hand, nederig en minzaam in zilver-geborduurden rok, kant-blank be-dast, stil en voornaam in den zwijgenden zwier der andere hovelingen, — dan ziet ge één wereldschen kant van Chopin wel, — maar Chopin is oneindig meer dan melodist, charmeur en salon