257
Ghopin is in werkelijkheid een zachte, toch soms heel wreede, fijne, grillige duivels-natuur. Een zeer gecompliceerde man, met een vrouwelijke distinctie en weekheid, een streelende teederheid, die meer is aanminnig verlangen dan zoetige verbrozing van eigen innerlijk.
Soms als 'n parfum van vervluchtende heerlijkheid, dan weer, in Baudelairiaanschen stijl, demonisch en kreten slakend van levens-benauwing en duisterende triestigheid. Voor velen is hij alleen bestaand, als men hem speelt. Dan ondergaat men al de geheime kracht van dezen visioenair. Maar als 't weer stil wordt, hoort men geen melodie meer. Dan is men gevangen in nevelige bedwelming. Men weet niets meer. Waar is die ziel schuw heengezweefd? De herinnering alleen leeft, vol van een heimvolle angstige teederheid, en iets snikkends blijft in je nadroeven. Je zoudt willen schreien, schreien stil, waarom? Er is toch niets meer, nergens, nergens! Maar wat is die sombre, teedre weemoed dan die hij in de ziel opwekt? Waar is de geheimzinnige klager zelf heengegaan ?
Dat is juist de angstige zwijmeling waaronderzijn werk ons brengt, en verdooft voor al het reële rondom.
IV.
Chopin is decadentisch, en toch dikwijls van een wonderlijk-opstandige, uitvlammende, oproerige kracht. Hij is teer als 'n albasten vaas, en toch stórmt het tusschen die blanke doorschijnende porcelein-wanden. Ghopin is wel broos als een gansch ontbloeide bloem, en in de elegante koestering van al die adellijke vrouwen, verrukkelijk van charme en voornaamheid, broeide wel een zoete onnatuurlijke vereering, —
Studiën. 17