255
Christen, die zijn geweten voelt behameren met de donder-accoorden van het koraal, en hij ziet te hoog naar zich ópspoelen de roode golven van een zondebloedzee, waarop dobberen zwarte schimmen van angst, wroeging en berouw, hoor dim naar de goud-vlammige-klanken uitstootende bazuinen van Bach, want die zijn als de herauten van het geluk en de levens-geestdrift.
Hoor dan ook naar Bach, den grooten ontfermer, die bidt voor de gepijnigden van wroeging en in smart-vernederden. Dat is de snik in zijn zang die verstomt. Zoo hoor ik vandaag alleen wat deze twee Beus-kinderen me in hun geheiligden ernst vertelden van het hemelsche en zondige leven in hun breed-biddenden, klaren en magistralen eenvouds-stijl, in hun lithurgischen weedom.
III.
Chopin.
En na hün nog Chopin?
Chopin, de verfijnde salon-ziel met zijn zoete muziek, week-modulatief en zoel als geurige vreemd-landige rozen; met zijn subtiele innigheid en zijn sensueele streelingen ?
Geurt er geen muskus om zijn haren en lijkt hij niet in zijn adellijk-aristokratische verfijningen een dandy, geniaal en ontroostbaar weg-geroesd in vagen weedom ?
Muziek van Ghopin! Daar komt iets pronkerigs en schitterends op ons af.
Een parfum als uit de zwier-dracht van eenNïnon d'Enclos op ons toe-zwijmelend; een salon-erotiek, zacht-gestemd, gedempt en toch doordarteld van diepe maar half-gesmoorde guitigheid.