254
innerlijk geluksleven van mensch en God, en door zijn rhythmische melodieën komt er een heerlijk spel te spelen tusschen hemel en aarde.
De ontstellende geheimenis van zijn genie is zijn kinderlijkheid en zijn titanschap tegelijk. In zijn kunst gloort het weeke purper van een paradijs-ochtend, en de gouden mistigheid van den geloofs-droom.
Al naar eigen aanleg, subjektieve vorming en temperament zal men door Bach's vroomheid opwekkingen krijgen.
Eén zal de zevensnarige cyther in de zachte harptokkelingen hooren, en zich terugleven in den Sappho- en Alcaeus-tijd; zal het goud-gedamp van het Lesbos-eiland zien opzweven als een nevel van blank licht en daarin de menschelijke figuren van het zingende heidendom, dat rond-wondert met zijn lok-fluit en zijn koorzangen. Een ander zal, onwetend van de mytilenische hartstochten, heidensch en geweldig van lyrische spanning, alleen ingaan op de lithurgische heerlijkheid, — de hóóge ontroering zal ieder ondergaan, met welk geloofs-innerlijk men Bach ook aanhoort.
Giet zij voor één, nieuw glanzend licht over den ingestorten tempel van Apollo, en zien wij de kronkelingen van den draak Python om den gouden drievoet van het attische orakel, — draagt zij voor den ander het kruis en loeit zij ons een angstigen aschregen tegemoet, — de gansche ontzettende tragiek van het schandhout verzinnebeeld in den bloedstrijd van den mensch tusschen geestelijke en sensueele ontroeringen, — altijd en altijd weer is Bach de koninklijke zanger van het lichtende leven, het léven zich geeft om te ontvangen!
Als de duivelen-bende van de hel te lang giert voor de verschrikte onschuld-ooren van den onnoozelen