252
gevangen in de kristallen spiegelingen van een klanken-tempel, die eindeloos zich verheft in vloeiend azuur van 't gansch Heelal?
Is dat als een klanken-kathedraal bóven de van smart-bloedende Jezus-menscheUjkheid uitgebouwd, om de eeuwigheid der dingen te omringen, hoog, alhooger van uit Gtod's troon?
Dit alles, heel deze Mattheus-tragedie schiep Bach, die machtige, stille bouwer, het godskind dat reus was in zijn ontstellend genie.
Hij, de protestant, schiep al dat licht, al die tinten en schemertonen, zooals Bembrandt de protestant een eigen wereld van leed en smart en versomberde wijsheid schiep in de atmosferische en won der-plastische stemmings-schoonheid van de door zijn goudlicht omstraalde bijbel-tragiek.
De Mattheus-passie is ook daarom de allersubliemste verheffing van het oratorium-drama, wijl de lyrische scheppingskracht er niet alleen in staat. Die vloeit inéén met de dramatische levensdiepte van Bach's enorm genie, gaat door alle graden van ontroering óver in de geheel vergeestelijkte schoonheid.
Deze toonschepping is lyrisch-episch en dramatisch en haar architekturale lijnen omspannen het gansche Gosmische gods-geloof van ieder ontroerd sterveling.
In dit toon-poëem is de ziel der menschheid aan 't woord, de menschheids-ziel die zingt! Wagner staat hier tegenover als een wel hevige, maar demonisch zinnelijke ziel, gefolterd, geteisterd door zijnheiden-sche hartstochten, heidensche natuur-mystiek en den op Schopenhauer parasiteerenden bouddhistischen zelf-reinigings-waanzin. Bach's ziel is nevelloos en klaar als een hoog-vonkelende sterrennacht.
In de Mattheus-passie leeft een dramatische ver