251
ontroerings-geluid, zingend en ijlend en uitsnikkend liefde-verlangen. Al sterker ruischen om hem Aan de . donkre geheimen nu van zijn blinde leven, verklankt, vergoddelijkt in tonen-smart. Het stroomt uit zijn ziel. Wat klagelijk eerst schreide, wordt zwaarder, galmender, zingt extatisch als 'n jubilee-rende hymne, een nirwanische verrukking.
Nu ziet de blinde ziener weer in 't Eeuwige.
Zoolang de klanken blijven leven, ruischen en zingen óm hem, en het gestaar in de visioenen-diepte van zijn droomzang hem een zaligheid toe-ruischt, siddert er heilig licht over zijn grijze hoofd.
En de blinde oogen weten van geen wereldsch licht, geen duisternis en geen zonnekleur, zien alleen door de visioenen van zijn harmonieën een eeuwig gods-rijk. Hij heeft de gestalte van zijn Messias naast zich gevoeld in dat wond're duister!
II.
Naast Händel, den al-machtigen alexandrynist der lithurgie, de al-zegenende Bach, het godskind, naïef van ziels-heerlijke openheid, beheerscht door sublieme rust, ongerept en kristal-zuiver van vrome ontroeringen. Bij hem geen half-mystieke geluks-roes, geen extatische neveligheid van heidensche hysterie, geen vermystieseerd troebel klanken-sensualisme en bemus-keteerde romantiek.
Bach, de groote orgelbouwer, slaat regelrecht zijn trappen naar het heelal en den troon Gods.
Is dät een protestantsche ziel, een ziel geboren uit het schijn-nuchtere, strenge, stroeve en kleurlooze godsgeloof? Kwam uit deze ziel dat wond're geestelijke gewijde drama: de Mattheus-passie? Zijn hier de gouden schijnselen van een evangelische symboliek