250
passie gaf hij klank-seiisualiteit, die in ons een woelig opjagend erotisme aanhit, als bjj de Wagnersche muziek-drama's.
De ziel van Handel is klaar als een vriezende nachthemel vol gouden starrenbloei. Wat wonder dat Beethoven tot Biez en z'n andere bewonderaars met zoo diepe vereering kon spreken, want niemand kon inniger en universeeler de jubelende heerlijkheid van dezen vromen voeler doordringen en beseffen.
Ick zie de goude bladen,
Met perlen van de lucht, den zilvren dau, geladen.
Hoe lieflyck rieckt dit loof, dat zyne verf behoudt!
Hoe gloeyt dit vrolyck ooft van karmozyn, en gout!
Zoo zingt Belzebub in Lucifer.
Hoort ge dien gouden zingenden toon in dit vers-brok ? Zoo iets van breede statigheid en teedere kracht en toch vaste beeldende visie?
Zoo, in dién toon leeft de orgel-ziel van Händel.
Hetzelfde licht dat dikwijls over de orgelende zang-woorden van Vondel gaat, dat licht warm en diepgoud van glansingen speelt ook over de klanken-taal van Händel. — 't Ontroerde ademen van écht-vrome zielen hoort men, en de tooverij van den lyricus draagt haar wondertoortsig licht dra over op den dramaticus.
En zie nu den blinden Handel in het sombre diepe nachtduister van zijn verstilde oogen, voor zijn levend-zuchtend orgel. Hij, de ziener naar 't eeuwige, tastend z'n geest in het droeve donker van zijn blinde oogen. Daar zit hij! De klagelijke registers beven onder den teed'ren druk van zijn zoekende vingeren, 't Snikt daar als vreemd-zacht mannengeween, sereen van timbre. Het is de viola da gamba, dat ménschelijk