249
met hun bronzende kleur-donkering 't flitslicht en de dartele kleurspelingen van de fluit dempend.
Zoo, al de stemmen met hun diepst-eigen klankleven, — de timbreerende ziel van ieder instrument — bracht Händel bijeen, kende hij in zijn fijnste en machtigste klank- en kleurwerking. Hij voelde hun sprook-geluid, hun fabel-melodie; hij hoorde hun gebed en hun zang. Ieder instrument met zijn opwekking van wondre ontroeringen; telkens anders van klankkleur en atmosfeer.
En eindelijk dat alles met den koor-zang samengebracht, gedragen door gewijde woorden, saamgevat als in hemelsche macht, uitzingend de daverende pracht van zijn menschelijke gods-verheerlijkingen.
Nu staan wij vlak onder den instrumentalen donder van zijn oratorium en de subliemste ontroeringen doorschokken en doorsidderen ons. De saam-zingende macht van zijn kooren zwelt ään, stijgt, stijgt, en al breeder zwaait hij ons met zijn verrukkingen het rijk van eindeloosheid in!
Als er ooit van epische muziek te spreken valt met dramatische diepte, waarin iedere geloofsuiting tegelijk vermenschelijkt en vergoddelijkt leeft, dan gaf ze Händel in zijn oratoria, in zijn Messias vooral. Zijn koor draagt de ziel naar het altaar. Dat is geen zang meer, dat is bidden, dat is smeeken, dat is ontferming vragen voor al de lijdenden; dat is snikkend spreken met zijn God zelve! Hier is de mensch-ontroering niet vermuzikaald maar uitgesnikt. Al wat er aan ideaal in je leeft trilt hij met zijn koorzang aan.
Deze ״verouderde," hoe goddelijk gaf hij met zijn beperkte middelen, het volle geheimzinnige van iedere instrumenten-ziel. En nergens in zijn instrumenteer-