248
leven? Hun rank snarenspansel al, hun grillige gevoeligheid en hun mythische vormen verbazen.
Hoe kende Händel de teere ziel van dit mythische wezen, dat al zacht zingt als de lucht er even streelend langs wuift!
Dan de hobo als 'n herderlijke joedeling, als de hooge stem van een natuurmensch die de landelijke heerlijkheid van het zomer-dwalen bezingt, en toch kent — te voelen uit haar geheimzinnig-lokkend vibrato — den weedom van het groote-stadsleven. De hobo met haar voór-tooverende klank-visioenen van herderlijk geluk, verre hei met zonnige hitte, maar ook groene gras-landouwen waarover zonnebrand gloeit, onder wijde uitstraling van blauwe hemelen.
Dan de bazuinen, die de geestdrift opstooten in het zingende leven, en de macht van fanfare-klanken als een ontstellenden godenroep over de ruimte van water en land laten weergalmen. Die roepen de menschen bijeen, verlangen toestrooming van hen uit bosschen, bergen, steden en dorpen, want zij vertellen in luid geschal van het eeuwige aller dingen.
Eindelijk de geheimzinnige fagotten als 'n sombre, zachte donder van een koor demonen, vreemde schepselen, die uit de nachtelijke diepte van hun heische oorden opgeroepen, een storm aanloeien van lugubre klanken-droefnis. Eerst klinkt het koor over de aarde als een smartelijk gehuil van onder-den-grond gesmoorde faun-stemmen, al weenender en wilder. Zijn dat gehinderde boschgoden, die komen aanrennen op hun bokspooten en wild de zengende klauwen uitslaan, in 't duister zoekend naar zinnenprooi, den gruwe-lijken hijgenden adem verhit van koortsig verlangen? — Niets dan klank-visioenen bij de heimvolle geluidswerking der diepzingende prachtige fagotten,