247
en zuchtend zanggesuis om een orgel met half afgesloten registratuur. Dän is 't eerst als het ademen van een ziel. Plots duikt de melodie op, daalt en vergolft weer als een cantilenische wiegeling van zachte, droeve menschenstem.
Het geluid van de trillende snaren wordt donkerder en dieper en angstig-menschelijk van timbre. Als 'n diepe viool die opweent uit 'n duisterende grot, waarin de klank-echo's dwalend sidderen langs de zwarte wanden.
Maar soms ook zingt de viola da gamba van blonde, levensblije meisjes, die uit veldsluimer ontwaken in brandende middag-zon, den schoot vol-geregend zien van zoet-beademde bloemkes en kruiden.
Dan is er juichende zang in de ziel van dit Händelinstrument.
Nu komt de fluit, de lange, fijne, heldere fluit met haar zilver gedruisch en geparel, haar weemoedig toon-wegsterven en als uit de verre verte natrillend gegalm; de fluit, helder in de lucht als 'nleeuwerikslag, een geluid doortrild van licht en kleur en natuur-jubel.
De weemoedige en dartele fluit in Händel's instrumentatie !
Dan de cello, die met zijn smart-stem door den melodie-gang der andere instrument-zangers heen-schreit, als de klacht van een verstooten hemel-wezen dat nu voor de menschheid zijn droefnis uitsnikt.
Dan de harpen met haar mischende klank-vlagen van melodisch geprevel, met haar zwevend uitge-sprenkel van toontjes, door gouden winden uiteengewaaid en weer bijeengejaagd in de ijle lucht; de harpen met haar herfst-gesuisel, dat na blijft hangen in het zwaarder klankenspel van het groote orchest, — wat zijn zij voor sprookjes-verschoningen in het reëele