HÄNDEL, BACH, CHOPIN.
I.
Händel en Bach.
R is niets in het melodische leven, dat dieper ontroert dan de vrome stem van den verrukkelijken Händel. Die ziel is zelve een kathedraal-orgel waarin het hoogste levensgezang schreit en bidt en jubelt, zonder bacchantische weerklanken en weerom-jubelingen van wereldsch geloof.
Deze orgel-ziel, vol wondre klank-stemmen van donkre levenssmart en goud-lichtende vreugd, draagt zij ons niet, met hevig-menschelyken drang en trillenden hartstocht naar den klagelijks ten weemoed en plots weer naar de sublieme verrukking, naar alles-verstillende gemoeds-vroomheid en innerlijke rust? En dan altijd maar te hooren en te zien de zangerige en kleur-zachte schittering van zijn instrumentaal coloriet!
Eerst omruischt ons het teederst-geheimzinnige gezang van de zingende en minnende viola da gamba. Dät wezen begint te zingen zacht, eerst als trillend
2i6