245
brandt te laten voelen met woorden, is er nog iets meer noodig dan Veth's stijl kan geven. — Om de grootheid en de gebreken van Rubens uit te zeggen ja, daarvoor was hij volkomen berekend. Eet opstel van Jan Veth over Rubens vergeet ik niet licht. Dat is van een enorme psychische en intellectueele opstuwende kracht en van een weelde-kleur als er dauwt en licht over zware druiventrossen. Daar druipt het levenssap uit als bij wazig-gezwollen groote dessert-peren waar de glanzen van avondtafel op saamschuimen tot een wonderlijk spel van lichtleven, tusschen kristallen schalen en wijn-fonkelingen. Daarin is ons ook de ontroering gansch en al gegeven, en een bijna warrelende en draaikolkende dooreen-wenteling van al zijn sentimenten. Maar prachtig en bijna episch van zin-structuur, en heerlijk hecht saamgedrongen van stijl-massaliteit, zóó staat Veth'sstuk over Rubens mij voor den geest!
In Rembrandt-karakteristiek heeft dat groote, dat zelfde magistrale, Van Deyssel boven Veth bereikt. Althans in de gedeelten waarin Van Deyssel zijn ziel en zijn ontroeringen alleréérst gaf, en zijn dialectische wendingen buiten sloot of beschaduwde met zijn schoonsten gedachten-bloei. En daarom is deze Rem-brandt-bundel waarvan ik met opzet geen enkel citaat gaf, een uitnemend schoon werk.