244
koele gewrongenheid die uitloopen op gezochtheid; een opdrijving van vreemde, harde verstandswoorden, die den ontroeringsklank van de aangedane ziel niet meer meedragen. Het is Jan Veth met de kunsthistorische kennis; de Jan Veth met 't professorale brilgeglans. Ik ga bibliotheekstof ruiken en ik zie cijfers als sommen bijeenspringen. Ik krijg algebraïsch-doorwerkte gevoelsredeneeringen. Ik voel iets dors en spinragachtig-strak's om mij heen gesponnen. Ik zie den uitgedroogden vinger van 'n magere archivarishand peuteren en ik hoor een technicus zich de keel schrapen. Nu kan 't zijn dat hij honderdmaal beter dan Van Deyssel de grandiooze techniek van Rembrandt kan beoordeelen, wijl hij zelf de verf als materie beheerscht, ook 't vak kent, en al de geheimen van de lijn verstaat. En zelf een voortreffelijk psycholoog-teekenaar met een bizonder fijn indrin-gingsvermogen in de ziel van zijn sujetten, zal hij wellicht meer dan eens glimlachen om technische verklaringen en vergelijkingen welke Van Deyssel geeft van en maakt tusschen groote schilders als: Rafaël; Daubigny, Rembrandt, Rubens, Delftsche Vermeer, Fieter de Hoogh e. a. En toch voel ik in de uitingen van Van Deyssel over Rembrandt de liefde magistraler dan bij Veth. Van Deyssel mag voor mijn part honderd vergissingen begaan in technische aanduidingen, onvolledig zijn in kunsthistorische bizonderheden, het dramatisch genie, het ontzaglijk zieleleven van Rembrandt, haalt hij met 'treliefvan zijn eigen nobelen stijl méér naar voren dan Jan Veth. Ik wil daarmee volstrekt niet beweren dat Jan Veth Rembrandt's grootheid niet zoo diep voelt, maar zijn gedrongen, geleerde stijl mist soms de groote-ontroerings-elementen, waardoor Van Deyssel zoo pakt. Om ons de giganteske pracht van Rem-