243
te dringen. Het studie-element respecteeren we naar waarde, maar is toch van veel lageren rang dan de rustig-uitgezongen aanschouwing der werken zelf.
Zeker, Jan Veth is een buitengewoon scherpzinnig en doortastend begrijper. Ieder detail van zijn waarneming en gevoel weet hij een plaats in z'n betoog van het geheel te geven. Er is geen tweede in ons land, zoo fijn-savant, zoo raak smedend inzicht-aan-inzicht als Jan Veth. Zijn stijl is van een bizondere indringingskracht, heel voornaam, heel fijn geweven en kleurig doorwerkt met slag-rake adjectieven. Hij is gedistingueerd als een echt aristocratisch vernuft en zwierig van allure, als een prachtig floret-schermer met gracelijke salut-gebaren. Jan Veth te lezen over Rembrandt is een verfijnd genot. Er zijn weinigen die 't vermogen hebben om de bedoeling en voeling van bizondere gewaarwordingen zoo lang en zuiver vast te houden in klaar-kleurige schilderende woorden, die zoo fijn gezichtspunt na gezichtspunt afwikkelen en betoog met nieuw betoog dooreenweven. Zijn woord kan helder en sonoor van klank zijn en schitterend van koloriet. Prachtig kan hij ons laten zien wat Rembrandt wou en bereikte, wat hij ons gaf, waar hij zich uitstortte. Veth is zoo kostelijk kernig in zijn bepalingen en karakteristieken, maar toch óók soms zoo wrang van zeggen, zoo fel van intellectueele bazigheid en opdrijvende, haast polemische welsprekendheid, dat er een hoogdravende golving in zijn periode zwellen gaat, die niet meer zóó diep treft als den in vlakkeren, saamgedrongen stijl geschreven andere gedeelten van rustiger arbeid.
En dan juist ziet men nog meer gebreken in Veth's stijl. Een zeer sterke zucht tot woord-raffinement en