238
half-duistere, wilde of zachte, smartelijke of jubelende droomen te vernederen, zijn geestelijken trots te knakken met woord of daad. Want de ontroeringen voelt hij heilig, zijn hem geschonken door boven-aardsche machten, waaraan hij zelf te gehoorzamen heeft. Nooit zou hij zóó 't licht zien in de hemelen, noch zou hij zóó de droefenis der menschen mee-snik-ken, nooit zou hij zóó 't daggoud zien sidderen, over huizen, wei en aarde, als niet machten, hooger dan hij zelf, dat in hèm wilden.
O, die stilte, voorafgaand aan het scheppen, de heete, innige, diepe ziening. die vrede-voeling en koestering-van-kl-het-omringende ; dat zich losgeschakeld voelen, in één zachten duizel, buiten tijd-verband, en alles, wat 'n uur nog daarvóór je gedrukt, gehinderd, gemarteld, gekrenkt, en geslagen heeft, daar nu te zien uit-je vloeien als iets van onuitsprekelijke mensche-lijke zwakte. In die enkele uren komt er een wonderlijke vruchtbaarheid van voelen en vergelijken, een wonderlijke helderheid van zien en doorgronden, een geduld en zachte, blijde heerlijkheid in de ziel, immens van wijdte, en van oorsprong geheimzinnig als de ether-dans van het licht. Dat is de goddelijke bezetenheid waarvan Van Deyssel even rept als hij de geestes-gesteldheid van Bembrandt's scheppingsintensiteit met een enkel woord wil karakteriseeren.
III.
Het gebeurt niet dikwijls dat in dié uren, arbeid van änderen door de ziel wordt opgenomen, want de scheppende verbeelding heeft alleen behoefte aan eigen gevoels-werkingen. En toch heb ik in een toestand van scheppings-hartstocht den negenden bundel van Van Deyssel gelezen, d. w. z. al wat hij