237
leven. Dan is er slechts één wezenlijkheid voor hem waaraan hij alles geeft, offert wat in hem is: zijn künst. Voor een hoogepriester is er het heiligste der heiligheid in den tempel. De kunstenaar weet deze plek in 't leven te vinden. Daar kan hij door niet één mensch ter wereld aangeraakt worden. Gij kunt hem krenken, bespotten, verkeerd begrijpen, afbreken of prijzen, hij hoort u niet, hij hoort niets, niets van u! Ik zeg het u nadrukkelijk: iederen dag van zijn leven, in de feestelijke stilte van zijn ziel en zijn schoonheids-bevrediging, staat hij boven ieder tijd-ding, kent hij alleen de zaligheid van zijn schep-pingsgeluk en den hoogsten drang naar levens-uitbeelding. Die ziele-staat van stille verrukking en subtielste voeling van iedere wezenlijkheid, voor zoover een mènsch zooiets doórvoeren kan, — is niet te zeggen, wijl de scheppende werker ze ondergaat, en ontwaakt zonder de werking te hebben waargenomen. Als gij staart in een wilde vuurvloed van vlammen en ge kijkt achter u, ziet ge alle dingen in rooden toover van licht. Vraag dan niet waar uw feestende ziel is heen geweest. Wel kan de scheppende werker vaag iets verfluisteren van zijn ziele-geluk; wel kan hij even gewagen van 't licht en de kleuren die hij zag schitteren. En wel zult ge in zijn brandende oogen een vurigheid van bevende verrukking zien lichten, nog lang na de uren van zijn werk-inspiratie. Maar tasten wat vervloden is, kan ook hij niet. Alleen in zjjn werk, zijn arbeid, kan hij de zalige melodie terug vinden, die hij gehoord heeft in zijn scheppings-ontroering. Ge kunt nu om hem lachen, ge kunt om hem schreien, ge kunt hem bepraten en ge kunt hem bespotten, niets, niéts ter wereld is bij machte, hem, den koninklijken droomer van zijn wazige, van zijn gloeiend-roode, van zijn