236
geluk, een verrukking, wijl omgezet in een schoonheidsgevoel van allerhoogste orde. Geen stèmming slechts die de uiting niet achter haar heeft, maar omgekeerd een uiting waarin de stemming alléén tot leven komt. Voor den scheppenden kunstenaar zijn die allerhoogste geluksuren neergestroomd uit het eeuwige, los van ruimte en tijd. En iederen dag keeren zij weer, onverschillig of zij hem naderen in smart, weemoed, twijfel, angst of geluk. Ze némen de ziel geheel, en niets van 't aardsche is er dat ze kan weren. Zoo zijn de dagen, telkens op andere tijden, feesten voor zijn smart en zijn weemoed, feesten, voor zijn jubel en verrukking. Dan doordringt hij het leven pas. Onder die aangloeiing van hooger, ziet hij pas de geheimnis der kleuren en het licht, ziet hij pas atmosfeer en licht, bloeien de wonderen van nacht, avond en morgen voor hem open.
II.
Nu denkt ge, dat er gekoester van ik-smartjes volgt, opgewarm van ik-gelukjes ? Nu denkt ge, dat hij de gewone menschelijke verrichtingen niet kent ? Dat hij altijd maar, ademend in de sfeer der hoogere ontroeringen, zijn thee laat staan, zijn koffie niet ziet, zijn avondmaal vergeet? Ach, die aardsche werkingen van neigingen en behoeften kent hij zóó goed, dat iedere soort spot van kleinere naturen hem niet raken kan, eenmaal buiten die baan ademend. Maar niemand, geen sterveling, van welken rang of beteekenis ook in het maatschappelijk of psychische leven, heeft vat op hem, als hij de feestelijkheid van zijn ziel voelt óver zich komen, de uren van iederen dag, waarop hij voelt deel van het goddelijke te zijn als scheppend arbeider, werkend in den zonnehof van het hoogste