235
stadsleven daar; als hy niets anders opvangt dan den heimvollen fluister van zyn ziel over al wat vér daar gebeurt in die lichtslurpende nachtelyk-over-duisterde avondstad. — Een groot feest is hem de melancholie der grijze, stille, droeve dagen, waarin het gebeuren-van-heel-de-wereld hem drukt, beangst, opjaagt, doortrilt, en waarbuiten hij toch niet zou kunnen; dat hem lief is als een achter zware muren gehoorde nocturne, in streelende geluidsdempingen uitgespeeld op zingend klavier, mijmerdroef van klankval op klankval; dat hem tot snikken toe ontroert wijl 't alles zoo wonderlijk-vreemd en gedempt terugklankt naar zijn kamer, waaruit hij met stille ziel, de groote, hooge, grijze lucht ziet met hun wolken-tragiek en hun eindeloosheid. Een feest is hem iedere dag in zijn droefnis en jubel, in zijn smarte-lijksten weemoed-van avond en nacht. Een feest is hem het leven, alles te ondergaan, de ontroeringen van ieder ding in zijn dramatisch moment en in zijn hoogeren humor; de heele wereld met zijn licht en z'n duister te bestaren, op te nemen en te verdroo-men èl wat de werkelijkheid aandraagt in 't zonnelicht, of bang dekt in het schuwe duister.
O! Als hij ontwaakt, dan gebeurt het wel dat hij dadelijk zich voelt de somber-gelukkige, de melan-choliek-gelukkige, de smartelijk-ontroerde, de lichten kleurdronkene, die weet dat de dag in de mijmeringen van zijn ziel verloren zal gaan, of voorvoélt dat hij zich terug zal trekken in zijn visioenenland, waar een zoo groote stilte suizelt als op de hoogste bergtoppen. Maar denk niet aan gewoon-menschelijke melancholie, om fondsdalingen of nauwe knelschoenen, om huishoudelijke ruzie of zaken-tegenvallers. Het is de melancholie, de ernst-somberste en de smart-voe-ling van den schèppenden kunstenaar, daarom een