LODEWIJK VAN DEYSSEL. — NEGENDE BUNDEL VERZAMELDE OPSTELLEN.
I.
oor den scheppenden kunstenaar zijn alle dagen van het leven feesten; d. w. z. feesten van een heel bizonder soort. Geen feesten van maaltijdvreugde en drinkgeklank, geen roes van in gonzende menschenstemmen aangehit geluk, geen feesten van schijn-schoonheden en vurig aange-praalde kleurigheid, — maar feesten van stille, diepe verrukkingen om eigen waziglicht doorzilverde droomingen, hooge, stille feesten van de ziel en de ontroerde zinnen. — Een goddelijk feest van hetinner-Hjkste verlangen-naar-levens-beelding, is het voor den scheppenden kunstenaar, als hij ontwaakt en de zomerdag staat daar voor zijn venster buiten te branden en te laaien in zonnekleuren, lichtvloeiingen en te droomen in z'n boomschaduwen. Een groot feest voor zijn droeve ziels-mijmering als hij 's avonds, van heel ver, de stad hoort in gonzende grommingen en golverige ruischingen, en hij staart over een donkre avondwei die hem scheidt van het groote
234