223
geschreven, en die ontroering deed haar ook onmiddellijk de daarbij aansluitende stijlvormen vinden.
Wat in Kinderen ook zeer treft, is, dat zij de kinderziel niet onnatuurlijk en sentimenteel ver-poëetiseerd heeft; al de sentimenten van het later-voller uitgegroeide, menschelijke leven zijn er nu reeds in: de toorn, de wraak, het medelijden, de liefde, de schroom, de afgunst, enz.
Dit maakt dit werkje juist zoo levens-echt.
Het kinderleven is iets wonder-intiems! Men moet al machtig eigen levensgevoel kunnen objecti-veeren, om zóó zuiver in de wereld van kind-denken en kind-gewaarwordingen zich in te werken. Want de kleinste verminking van hun innerlijk wreekt zich onmiddellijk in vaag psychologisch getast of opgeschroefd sentimenteel gepraat.
III.
Kinderen, wat zijn ze? Als kleurige wondertjes van 't groeiende leven, de lichte en donkre bloemen in den zonnetuin van ons geluk. Toekomst en verleden tegelijk. Wat zien wij volwassenen, ontroerden en gevoeligen, in kinderen ? Toch heel ons eigen leven dat voorbij is, onze jeugd-verrukkingen, onze droomen en idealen, ons heel sprookjes-bestaan. Kinderen, ze zijn als de bloesemingen van onze liefste gedachten, wel broos, wel teer, wel goud-doorgloeid van licht, dat meer is een na-schijn van kleurig geluksleven, dan uitstraling, maar toch altijd levend in herinneringsvisie als 't schoonste van ons bestaan. Zij weten den weg in een wondertuin, voor ons gesloten. In wie bloeien de ontroeringen van allerlei aard zoo smetloos, zoo echt — in 't goede en 't kwade — als in