220
Inkt is de schets van een meisje, dat volgens haar smaak en dien van haar vriendinnetjes leelyke, malle kousen aan heeft. Ze móet ze dragen van moeder. Slechts één raad is er: ze zóó te bederven, dat ze niet meer draagbaar zijn. 't Vriendinnetje helpt haar de kousen ״zwart" maken. Prachtig-levendig en angstig-humoristisch is dat tafereeltje gegeven. Hoeveel beter is dit schetsje dan Dirk, waarin de lotgevallen van een haveloos schepsel verteld worden. Daar is de psychologie zeer oppervlakkig en slap ook de taal.
De Oudste en Vader hebben één sentimentstoon, 't tragische van kinderleed. Er is weer veel fijne waarneming, maar St. Nicolaas en Meisje zijn toch veel raker, dadelijker en opener van zuivere psychologie.
Wat mij nog bijzonder bekoort in dit voortreffelijke werkje is dit: mevrouw Boudier—Bakker schrijft, zónder vooruit al om publiek te denken!
Dat klinkt 'n beetje vreemd niet waar ? En toch... 't afzichtelijke poseeren van de meeste schrijvers en schrijfsters is oorzaak, dat hun stijl en taal zoo dikwijls valsch en geaffecteerd-mooidoenerig en voos wordt.
'n Macht schrijvers zijn vooruit al verlekkerd op 't oordeel van publiek en critici! Hoe zeer hun „mooi" gevoel, de fijnheid van hun emoties en waarnemingen, de diepte van hun aandoeningen zullen worden geprezen. Die smakken op hun emoties! Die voelen zich vooruit al doorschokt van voorproefjes-geluk over al wat ze te hooren zullen krijgen van hun schoon innerlijk. — Zoo'n critiek-spinetje tokkelt zoo lief van roem en eer. Maar de fijne satire is ook 'n schepsel van spitsigheid. Dat doorziet zoo iets dadelijk, voelt het aan de zonderlinge stijl-spanning der zin