211
Ik had stellig verwacht een pracht-oordeel saam te kunnen stellen uit de literaire wijsheid van dezen laatsten man. Impressionist, fatalist, naturalist, experimentator ! Ik had mij de verrukkelijke varianten gedacht, 't wondere mengsel schitterend als ingebrande kleuren op 'n ruit, dat ik zou distelleeren uit de kritieken van den psycholoog-pes-, de psycholoogoptimist. Ik zou van hun alle ziels-gebeuren vernomen hebben. Ik zou de Ontologische, de Synechologische standpunten voor mijn lezers ontwikkeld hebben, en .. niets begreep ik, van verontwaardiging noch van afkeuring. Nooit heeft mij een boek zoo dwaas geleken als dit... Dat boek, dat boek I ieder sprak er van ... en niemand scheen 't goed gelezen te hebben. En ik zelf!... ik had 't wel gelezen... en tóch geen oordeel! Groote goden! Geen oordeel hebben als je 'n boek uit hebt! .. . 't is erger dan 't ergste!
Dat is droomen dat je je in perziken verslikt en wakker worden met 'n tor in den mond. Dat is 'n diadeem zien verruilen voor 'n vloeipapieren mutsje uit 'n pistache. Dat is zwerven als 'n vrijbuiter op de Elyzeesche velden, en plots met je neus opstooten tegen 'n bordje, waarop art. zooveel van het hemel-sche strafwetboek. —
De impressio-neo-fató-naturalistische experimentator zat sarrend fijntjes te glimlachen. — Ik móest wat zeggen. —
Onder het plafond hoorde ik de stem van den Van Deysseliaan 1 Hohee ! die ken ik! 't Bolde van ... grootmeesterr !... generrratie van 80 ... prrrrosa-teur!...
Plotseling viel mij 't vernietigende vonnis van Van Deyssel over dat boek in!... En ik herinnerde mij dat ik dit ook niet begrepen had! — Neen, ik