212
had geen vaststaand oordeel I Ik vond dit boek als styl-produkt om mee te kullen, zoo in-slecht, zoo fel-gebrekkig, en toch als psychologische waarneming en als innerlijk meevoelend met vrouwenleed soms zeer zuiver en zeer raak. — 't Snijdende en inpren-jeerende er van had mij vroeger gewond, nu niet meer. —
Van Eeden kan nog niets grootsch geven, omdat hij den grooten stijl van den epischen psycholoog niet bezit, maar, tusschen allermalst geknoei bij brokken toch iets van schoonheid, óók als taaluiting — Maar 't boek als geheel leefde nog niet in me! Ik had nog den mystikus kunnen laten oproepen, en den proletarischen jonkheer-ziener 1 En den patholoog, en den sensitivistischen medicus... Maar wat zou 't geven! Al die standpunten...
Ik had zooiets gezegd. — Mijn fata-rea-natura lachte fijntjes en zei, dat het 'n hideus boek bleef. Dat was te gek, beweerde ik! Ik bracht hem aan 't verstand, dat 't vroegere realisme van veel vreeselijker allooi was. Hij moest Montaigne en Rabelais maar eens lezen! — Alles van vroeger bestond ook nu! Er waren nog zooveel Potifars.... alleen geen Jozeffen meer! Zou hij zich in dezen tijd 'n plaat kunnen voorstellen met dat gebeuren: 'n Jozef, niet meer vastgehouden aan den slip van een zwierigen mantel, maar aan 'n flanelletje of jaegertje...
Dat alleen al ontnam iedere illuzie van kuischheid. —
Mijn rea-fata-natura... grinnikte ! Haha!
Ik beweerde, en blijf beweren, dat ons Hollandje duffer doet door in iedere beschrijving van zekere gebeurtenissen dadelijk zich te smakken op personen!— Laat men toch ophouden met 't duffe vereenzelvigings-systeem!
Stel je voor Van Hulzen, den impressionist te be