210
dat ik tasten, vasthouën, begrijpen kon, eindelijk de ironische, satyrische schrijfster boven komen: Mevrouw J. —
Een allerliefste dame. De realiteit eischt echter dat ik een gebrek van haar meedeel. Ze had een zwaar besproeten neus, ze was brood-mager. Ze droeg een japon met vijf volants-verdiepingen, en patjoulie was haar niet heelemaal vreemd. — In ieder geval... 'n vróuw 1 Ik sprak met pruimenmondje, heel omzichtig ... Maar eindelijk toch kwam De koèle!
Maar lieve genade! Dat werd 'n storm! Ze stoof op, ironiseerde, satyriseerde als 'n bloedend, op armstompen in pijn wegkruipende gorgoon aan de voeten van zijn beul. De lieflijke neussproetjes vlamden als rooie puistjes. Dat boek... dat boek .. dat was liederlijk, slecht, onzedelijk Ze schold, schold... 'n oordeel gaf ze niet! Ze schold I eindelijk in zelf-opwinding zoo boos zich voelend, dat zij wegliep.
Van een ironisch-hoog-satyrisch standpunt uit bekeken is Van de koele meren des doods... ik weet 't niet, geëerbiedigde lezers. —
Haha! Nou zou ik 'r een toch pakken! Daar beneden wachtte nog de impressio-rea-fatèi־naturalistische experimentaliaan. —
— Aangenaam .. ja.. ja.. Op Scheveningen waait het altijd.. Ja.. juist meneer.. 't Seizoen is begonnen !
Ik voelde al den fatalistischen drang in ieder zijner woorden getemperd door experimenten realiteit. Maar 'n guit was 't. Op de tafel zag-ie, over mijn krukje heen, liggen Van de koele, en eer ik hem de vraag kon doen, zei-ie met een fijn fatalistisch lachje:
— Hoe vindt u Van de koele meren des doods?
Daar zat ik met mijn gebakken peren. —