208
Van de koele nieren des doods ... lezers ... ik weet 't niet! —
Ik zocht in mijn kaartjes. Ik schelde, 't meisje klopte !.. Dientje had stellig geluisterd.
— U schelt meneer ? — Ja, laat... laat... nu meneer Krul hoven.. d. w. z. A Krul.. niet C... meneer A. Krul.. de visioenair en oud-filosofische Hellenist! Of weet je wat, Dien...
— Ja meneer, angstigde met pieperig stemmetje 't kind, dat 't benauwd kreeg van al de geleerdheid..
— Weet je wat, stuur eerst maar meneer Maandag, den sonnettist en lyrikus..
— O, wat ? .. haperde ze .. de.. kus .. de kus ! —
— De lyri... stootte ik nijdig uit. 't Kon nu gebeuren dat ze den lyri-zoén zou roepen. Voetstappen, gekraak van schoenen, geklop, stem van meisje, dat de deur wijst, 'n geaffecteerd OIO! dank UI — verschijnt 'n chiece meneer!
— Aangenaam, neemt u plaats, meneer!
— Is dat niet uw stoel? — Nee meneer, dien krijgt u niet! — Derangeer ik u niet, heusch niet ? — Pardon, in 't minst niet.
O zoo! — 't Gesprek vlot lyrisch en visioenarisch. Plotseling kom ik voor den dag : Hoe vindt u Van de koele meren des doods ... ?
Van de Koele ? ... Ja, azoo ! azoo ! ja.. ziet U.. Van Eeden is nooit bijster sterk in het visioen geweest, weet U ? .. ja, ja! Ziet U .. de metafysische grondslag .. de ethiek...
Ik keek weer angstig naar mijn pennehouder!
Er volgde een gloeiende peroratie; alles lyrisch-visioenair! 't Woord ethiek smolt hem als fondant in den mond. Er rolde een heel mooi lettertje ״r" door zijn zinnen, dat de waarde van zijn lyriek verhoogde.