207
't Gesprek vlot dadelijk van zijn kant; niet, wat je noemt idealistisch, wijl 't loopt over het gemak van kleplaarzen, inplaats van rijglaarzen. Maar langzaam besluip ik m'n slachtoffer toch:
— Zoo, zoo, meneer, zeg ik, niet hoorend naar z'n beweringen, zelf heelemaal wég in mijn verlangen, om 'm te bestormen. Zegt u nu eens eerlijk, hoe vindt u de Koele.. ?
— De Koele? Welke Koele?
— Wat, u, 'n idealist... De koele , méren ...
— De Koele meren ? Welke koele meren ?
't Wordt tergend-benauwd. — Van de Koele Meren des Doods, schreeuw ik !
— Aha.. aha.. pardon! ja ziet U, die klep-schoenen ... ziet U.. 'k was van 't apropos !... ja... ja...
Wat er volgde, deed me begrijpen waarom meneer Stook zich gerechtigd gevoelde, om ״idealist" op zijn kaartje te laten drukken.
Hij gunde mij een tegenblik op de etherische relaties tusschen lichaam en ziel, in verband met de hysterie van Hedwig, de vrouw uit de Koele,... daarom nog niet de koéle vrouw! Hij goochelde met interastrale bewustzijns-vormen, in zulk een godszwier van idealistische taal, dat ik mij aan mijn penne-houder moest vastgrijpen, om niet van mijn krukje — ik werk altijd op een leuningloos voorwerp, dat ik krukje hiet, veel schrijvers kunnen dit voorwerp missen, wijl ze 't zélf vertegenwoordigen — af te duikelen!
Toen hij af-geidealiseerd had, begreep ik niets. Dit feit leek juist zijn idealistische triumf I Hij zwol van trots en lachend ging-ie weg, wetend, 'n zeer gebluft slachtoffer achter te hebben gelaten.
— Van een idealistisch standpunt bekeken, is..