200
Dievenschool.
Een beginneling de heer Samuel Goudsmit, maar een met, om een zeer gewilde uitdrukking te gebruiken, — ״onmiskenbaar" talent. ')
Ja waarlijk, de heer Goudsmit heeft talent, kan wat! Maar.... alles is nog heel erg in 't begin. Hij heeft een grooten woordendurf, maar die woordendurf is vaak woordenbluf. Schoon zijn toets heel vast lijkt, is er in zijn stijl buitengewoon veel wankels en onrijps. Het is opmerkelijk, hoe sterk de heer Goudsmit onder den invloed staat van verschillende zeer superieure stijlen. — Vandaar zijn onoorspronkelijke wendingen, zijn lyrische exclamaties, zijn trillerige woord-cadansen.
Dievenschool is de roman van een slagersknecht. Uit de provincie komt hij als jong joodje in de groote stad Amsterdam bij een vrij-goeden baas. Deze baas heeft 'nlief vrouwtje, dat met den joden-jongen lichtelijk koketteert. Moos is verliefd, zij ook 'n beetje, maar het komt niet tot een verklaring.
In dit boek is de meditatief-lyrische stijl veel te overheerschend, in verband met de „kwaad-magere" handeling. Het geheel is niet doorweven van fijne bijzonderheden, welke op haar beurt weer het geheel vormen. De compositie is zeer slap, en het jeugdleven van Moos staat episodisch te veel op zichzelf gaat te veel óm de kern der z.g. Joodsche dievenschool.
Goethe zei eens tot Eckerman: „Liebesgedichte habe ich nur gemacht wenn ich liebte." — 't Ware
*) Inmiddels is er van dezen auteur een nieuw boek verschenen, „Zoekenden," dat hem, ondanks gebreken, plaatst onder de schrijvers van veel eigen talent.