19
als uitgangspunt hebben moet. Alles ontbreekt hier. 't Blijft hoe ook omgezet in gelijksoortige, of 't gevoel in dezelfde richting opduwende sensitieve taaitermen een knoestige gewaarwordings-verwarring van gevoel en beeldvorming, aandoening en uitbeelding.
De snelmompelende oogea zijn beter te verklaren. Bedoeld is dat zij snel-mompelend sprak, terwijl de oogen mee-leefden in 't verhaal. Maar de stijl-factuur is ook daarin buitengewoon onvast, onzuiver en verwarring-wekkend. Ik houd nu maar op met analyseeren, schoon 't boek krioelt van foutieve beelden en vergelijkingen.
Wat te prijzen valt in dit boek is allereerst het gedistingueerde van den opbouw der simpele verhaalmotieven. Daartusschen soms zeer gelukkige detailleering, aanduidingen van in- en uitwendig leven. Naast veel verknoeide, ook zeer mooi geslaagde dingen.
Het realisme van Coenen is niet breed, niet machtig, niet groot en niet doorgloeid van innerlijke, hevig-schrijnende ontroering. Toch voelt men telkens de verdrietelijkheid van het smartelijk-kleine in 't leven door al z'n arbeid. Soms is er bijna groote teederheid in de teekening van vrouwenmooi, of lichaams-sjo-felheid. Een teederheid die dooj» zijn eigen natuur onmiddellijk afgeweerd wordt met wrangheid en kleine, stekelige ironie; ironie, die ook het weeke geglans en de buigzame rankheid van vele zijner zinnen tempert en verschrompelt.
Toch leeft Coenen in dit boek geheel! Zijn in vroegere werken voorkomende — ook na mij, in De Gids door de Schartens aangetoonde — allermalste rhetoriek en vergelijkings-beelden is zeer verminderd.
In 't algemeen is de stylist Coenen vooruitgegaan. De zuivere realist was reeds in Zondagsrust zeer goed.