197
waarwordingen, op het voor een deel onzuivere ge-zichts-innerlijk van den schrijver.
Ook schrijft hij: ״En de trekken van schamelen kop stonden zorgelijk gegroefd." Allereigenaardigst is hier weer de fout der uitbeelding en de onzuiverheid der expressies: Wat zijn „trekken" die „staan" allereerst? Maar bovendien, hier zijn de trekken mede de groeven. Hoe kunnen nu de trekken gegroefd zijn, als de groeven de trekken zijn? De zorgelijkheid openbaart zich juist in die trekken. Een bepaald karakteristiek iets van 't gelaat kan ook niet tegelijkertijd iets anders zijn, dat ten slotte 't zelfde is in dat gelaat. Een gezicht kan wèl, maar trekken kunnen nooit gegroefd zijn.
Op pag. 49 dit: ״Maar het regende niet meer, en terwijl zij haar weg richtten naar de zeldzame lantaarns, die" enz. Zoo ״zeldzaam" die lantaarns? Zouden ze van goud zijn ? Of antieke lantaarns ? Bedoeld is: terwijl ze haar weg richtten naar de weinige lantaarns.
Van een gansch ander soort gebrek is er op pag. 49 nog dit:
De burgerjuffrouw Lena dénkt daar 't volgende terwijl ze in stilte haar man bekijkt! ״Hjj was ook zooveel ouwer. Maar nu, bij die kinderlijk teeren vrouwenkop, zag ze ineens hatelijk-scherp zijn grove bakkes, als van een ouwe soldaat, en vooral zijn duffe wijzigheid, zijn dorre fatsoenlijke-mans-bezadigd-heid en ernst." —
Heerlijk zooiets in de burgerjuffrouw Lena, die er denkt: „duffe wijzigheid," zijn ״grove bakkes als van een ouwe soldaat׳," zijn „dorre fatsoenljjke-mans-be-zadigdheid." Natuurlijk zijn het Goenen-gevoelens; is het op-en-de-op Goenen-karakteristiek, Goenen-taal en Goenen-ironie. Het is mij een raadsel dat derge-