195
soenlijk burgerman, spiedde, met de hand boven de oogen naar alle zijden."
De fouten zijn hier zeer ingewikkeld en verhor-gen onder zulk een schijn van stijl-modernisme, dat het moeilijk wordt ze in kort bestek te kenschetsen.
Een fout in de visie is b.v. het aanduiden van de actie: het-naar-alle-zijden spieden van de oogen, en tegelijkertijd een zuur tusschenschuiven van 's mans portret. Want voor dkt wat hij doet, is het ons volkomen onverschillig hoe hij er in 't algemeen uitziet. De nadere aanduiding van zijn „doodfatsoenlijk burgermansgezicht," staat in geen enkel verband met het spieden naar alle zijden, en de hand boven de oogen houden. Dat dood fatsoenlijk burgermansgezicht zou hij óók gehouden hebben, als hij niet spiedde, niet in de lucht keek. Wat hier dus een verscherping lijkt der visie, is er in werkelijkheid een vertroebeling van. Een fout dus ook in de plastiek. De ineenvloeiing van karakteristiek en actie is daarom zoo onzuiver, wijl hier nergens de subjectieve aanduiding van 'smans wezen geduld kan worden.
Dat hij een verbrand gezicht had, mag gemeld; dat zijn gezicht saai was en doodfatsoenlijk van burgermanschap niet. De eerste kenschetsing is er een, die bij de actie van-zijn-overal-heen spieden verklaard kan worden, en ook als een lévend detail gevoéld, uit het feit dat hij op den van „zongeslagen" grond werkt, 't tweede détail is door en door valsch van gevoel, in dit verband, wijl evenwichtig aanduiden van actie, plastiek en karakteristiek hier op zijn grofst dooreengemengd zijn. In dergelijke zinnetjes komt juist zuiver uit of de auteur met ontroering voelt, of alleen zijn verstand laat werken.
Goenen spreekt ook van „kwaad-magere vrouw."