194
benauwde interieurtjes. Dat moet bij hem de stijlbekoring geven. En dikwijls ondergaat men ook wel iets van atmosferische schoonheid. Zeer te betreuren blijft het echter, dat de heer Goenen niet wat minder peuterig detailleert, waardoor hij wat breeder leven aan zijn zinnen zou geven. Er is ook nu weer een zéér groote lijst te maken van zijn stijlfouten, zijn onmogelijke vergelijkingen, zijn onzuivere beelden. Hoe in schijn, kalm en cerebraal, hij ook met een air van absolute woordzuiverheid zijn taai-materiaal in kleurige en tint-spelige wisseling plaatst en gebruikt, telkens toch tuimelt de onvaste en wankele woordzoeker naar voren.
De gansche fysionomie van wat men zijn stijl zou kunnen noemen, valt hier niet aan te duiden. Laat ik énkele voorbeelden van zonderlinge en onzuivere woord- en daaruit geboren plastische gevoels-koppe-lingen mogen geven.
Hij spreekt van stijf gestold vocht. Ook zet hij zonder blikken of blozen zulk een zin neer: ,,Zoo werkte hij het veldje af, langzaam-zorgvuldig de struiken betastend met zijn werkhanden, op zijn gezicht de steriotiepe uitdrukking van bezadigden ernst, waarmee hij alles deed."
Zou Goenen, in rustig gevoel na gedanen arbeid, nu inderdaad de akelige wanluidendheid van zulk getypeer niet voelen ? Stereotype uitdrukking!! En dan de zin-voeging zelf, die doode lijnen in de fijnere aanduiding: ״waarmee hij alles deed!" Alles, heer Goenen? Weet u 't stellig? Alles? Alles?
Heel vreemd zijn de volgende verbindingen van gevoelswerkingen, vermakelijke kruising van visie en plastiek. ״Het was het uur van den middag, waarop alles zongeslagen neerligt, geel licht trillende, vlak en hard. Zijn verbrand, saai gezicht van dood-fat