191
heimzinnig als een starende Sfinx. Hjj geeft zoo maar argeloos, de ontroering en de waarneming, maar daar-tusschen kan geen lemmet, want de waarneming is zoo innig vastgekneld aan de ontroering dat ze één zyn. Die argelooze compositie-eigenschap geeft juist iets magistraals van eenvoud en kracht aan zijn beste werk, en altijd voelt men de dreuning van zijn machtige menschelijkheid door dien arbeid heengaan. Datzelfde sentiment, menschelijke eenvoud leeft ook in enkele van zijn kleine novellen, die men bijna voorbijgaat onverschillig. Maar plotseling hoort ge er den smartsnik in van den mensch die zwaar geleden heeft.
Zijn wereld van schepselen is voor ons dikwijls heel vreemd. Wie begrijpt dadelijk die russische melancholieke, zwijgende zwervers en verongelukten; wie de somber-verdrukte, smeekende boeren en wie die loszinnige woestelingen uit den adelstand? En toch, hoe fel belicht hij soms de tragiek van hun geheimste, diepste hartstochten, de dramatische verknooping van hun menschelijke neigingen?
V.
Natuurlijk sta ik met weerzin tegenover zijn tenden-tieuse figuren als in Opstanding. Hoe vèr blijft hij daarin niet onder zijn typeerend en analyseerend talent I
Ook Tolstoi heeft niet het hoogste bereikt in de romanschrijfkunst, dat hoogste, dat alleen te bereiken valt voor de universeel-geniale naturen, die alle hartstocht-werkingen doordringen. Slechts in enkele groote fragmenten is Tolstoi geniaal van beelding en levensvoeling. Maar bijna altijd is zijn menschelijkheid zoo gaaf dat ze zekere schoonheidsontroering nabijkomt,