186
spreken van zichzelf, en hij wijst naar Golgotha, en naar de schemerende dreighemelen die hoven het kruis van den Zaligspreker daar saamzwavelen tot een donker-koperen benauwingsduister. Hij spreekt en zingt van zijn bijna vernietigde menschelijkheid, van zijn ijdele schrijverij. Hij spreekt vooral van den mensch. Alles moet omver gehaald, maatschappij en individu. Maar niet met de anarchisten is hij 't eens, en ook niet met de socialisten, noch met eenige doctrinair-economische leer. Tegenover elke poging tot collectieve hervorming der maatschappij, stelt hij de individueele innerlijke vervorming van den mensch.
III.
In deze revolutionnaire periode begint hij ook zijn studiën over het wezen der essentieele schoonheid. Wat is kunst? vraagt hij zich af, en nu komt hij met een artistiek-philosophisch zeer doorgevoerden arbeid, vervloekt hü het allergrootste deel der moderne kunst en literatuur.
Zola, Huysmans, Kipling, geven hem niet de geringste ontroering. Verlaine vindt hij gek, Maeterlinck niets. Hamlet, dat groote dramatische levensspel laat hem koud. Shakespeare en het geheel verschijnt voor hem als een bombasticus, meer niet. Beethoven is veel te saamgesteld om groot te zijn en Wagner heeft iets microcephaalsch voor hem; dus bijna idiotisch. Daartegenover stelt hij Schillers's Die Eauber, wat fraais van Hugo, Dickens; Uncle Tom's Gabin, Dostoiewsky en Adam Bede van Eliot. Welnu, ik vind Tolstoi een buitengewoon slecht criticus, met zoo goed als geen artistiek onderscheidingsvermogen, en toch is zijn afbrekerü niet onsympathiek. Er is een naïeveteit in het biechten