185
kunstenaar wordt in dit gevaarlijke stadium van zijn scheppingskoorts, niet verdiept in, maar neergehaald door den mensch, den moralist, en den dweperigen religieuse.
De fijne psycholoog verwart zich in den theorist en speculatieven philosoof, de waarnemer en epicus verbrokkelt en verminkt zich in den sociologischen experimentalist, de subtiele taster naar karakter-innerlijk verkwanselt zijn gaven met nuttelooze pae-degogie en schooltjes-spelerij. — Toch komt, op verwrongen wijze wel, alles tot uiting. Een soort geestelijke uitslag die hem ontsiert, soms afzichtelijk maakt, maar óók de voorteekenen van bloedzuivering.
Is hij geen conventioneel christen, zijn mystieke levensdrang goochelt een tooverij van vreemd licht over zijn half-pantheïstische, half occulte Jezusver-eering. Hij vermenschelijkt met zijn woord het goddelijke in de zaligspreking, en het menschelijke wil hü een stoot naar het goddelijke geven. Idealist, wordt hij telkens weer gepijnigd door de vlijmende scherpte van zijn werkelijkheids-denkingen; mysticus, begraaft hij toch altijd weer zijn illusies onder de asch van zijn stormende twijfelingen. Hij wil geen christelijke paraphrase. Geen ethiek van de lippen alleen, maar ethiek van de daad. Hij striemt, geeselt, bespot zichzelf en anderen. Hij zegent, zingt, verhaalt, smeekt. De groote sterke reus stelt zichzelf, in al zijn innerlijke voosheden en slechte hebzucht-passiën ten toon. Zijn occulte drang brengt hem tot biecht en openbaring. De Christus zweeft voor hem, maar meer dan het geronnen kruis ziet hij den gehoonden en gemartelden mensch-god, en meer dan de stuiptrekkingen en spiersmarten hoort hij het gehamer van het weenende hart waarnaar de zieke menschheidte luisteren heeft inurenvanbangstenzelftwijfel. Hij moet