175
zien uitstallen. De gelijkenissen en de taal van den Heiland zijn zóó onnavolgbaar schoon, dat een gelijksoortige uiting niet anders dan heiligschendend kè,n worden. Men moest óf Jezus woordelijk laten spreken over menschenliefde, óf men schept in 'n dergelijk werk, 'n figuur met 'n geheel onafhankelijke uitingsmanier. Maar ieder woord van dézen Markus, den scharensliep, wordt in schijn gedragen door het bewogene, stil-ontroerde en zangerige rhythmus van Jezus' lyrisch, wijd-menschelijk woord. En toch is telkens wat hij zegt er naast, ómdat het niet dat ééne onwyzigbare en onvergankelijke woord van den Heiland zélf is. In den omgangstoon tusschen Johannes en Markus klinkt ook zeer veel rhetoriek en bombast, al houd ik in 't oog de wisselwerking die er bestaat tusschen het algemeen-menschelijke in den scharensliep en 't goddelijke in de Markus-figuur. Als ik plaats had, zou ik u dit alles kunnen aan-toonen. In Marjon, het kermis-meisje echter, leeft veel fijns en zachtzinnigs. Dit zieltje heeft Van Eeden wel doorvoeld en hoe innig en typisch heeft hij ook haar aapje geteekend. Tante Seréna en Daatje, de orthodoxe meid, zijn traditioneele romanfiguren, waarin Van Eeden niets bereikt heeft, wijl alles uitwendige typiek blijkt en nergens de ziel dezer bekrompene schepsels wordt doorgrond. Hoewel Van Eeden soms zeer goed observeert, teekent hij toch nooit z'n menschen zóó, dat ze voor ons leven. Ook Daatje is, afgezien van enkele typische uitvallen, 'n mislukt Dickens-schepseltje, voor 't lach-succes erin gestopt. De parodie op Van Lieverlee, den meneer met zijn theosofisch-occultistisch gestoethaspel, is ook zeer mak van humor en heel goedkoop van persiflage. Deze theosofische woordgoochelaar verdient werkelijk door fijner geest bespot. Bovendien slaat hier Van Eeden