174
met z'n eigen liefde-woorden literair is ingenomen.
Had hij de woorden van den Heiland zelf aangehaald, Johannes' extaze over hun ״heerlijkheid" zou begrijpelijk zijn. Nu is 't paskwillerig. Ook dit boekje wordt er weer tot „literatuur" door gemaakt. We hooren er in naïevelijk smalen op menschen, en toch zien wij er tegenover de poging om de verdorven schepselen weer op te heffen met oneindigen goedheids-drang. Maar wij voelen nergens meer het kinderlijk-innige in Johannes, 't Is de Johannes met 't verbonden hoofd en de groene oogkleppen, den verzwakten blik en de melo-dramatische bloedspatten op z'n gezicht. Hij struikelt op den Olympus en de goden schateren om z'n manken gang. Wat eerst zoo spontaan en ontroerend lief was, wordt, in denzelfden toon nageschreven, nu schrikbarend uitdenksel. O, die vreeselijke fantasmagorische pagina van het zevende hoofdstuk. Hoe heeft Van Eeden zichzelf hier met z'n lieve engeltjes-gebaren en zoetigheid geïmiteerd, poëzie-blanketsel met suikerige flikflakjes op de wangen geschminkt. En hoe prenterig en chromolithographisch is hier overal de fantazie. De beschrijving van Pan is hol-decoratief. Nergens vermocht Van Eeden atmosfeer te geven, 't Lijkt 'n weeë tekst-uitlegging van 'n allegorisch plaatje. Een enkelen keer slechts 'n mooi zinnetje en 'n mooi beeld. Over de gansche literaire uitbeelding van 't boek kan met zeer weinig lof gesproken worden, 't Kermis-milieu, waarin Marjon leeft, is zeer slap beschreven. Deze pagina's vangen nergens realiteit. En zijn tafreeltjes met de vaagheid van dekalkomanie-kleuren bewerkt. Taal en vergelijkingen zijn vaak van buitengewone onzuiverheid. De Markus Vis-fLguur is zoo dadelijk naar den Heiland gekopiëerd, zoo geïmiteerd-bijbelsch dat 't soms den grootsten weerzin wekt, dezen man zijn wijsheid te